Veelgestelde vragen over cervicale dysplasie

Feiten en informatie over de diagnose, symptomen en behandeling van cervicale dysplasie: abnormale celgroei op de baarmoederhals

V

Wat is dysplasie?

A

Dysplasie is de medische term voor abnormale cellen op de baarmoederhals, veroorzaakt door het HPV-virus. Als de abnormaliteiten mild en gering in aantal zijn, verdwijnen ze meestal zonder behandeling. Sommige gevallen van gematigde dysplasie, en de meeste gevallen van ernstige dysplasie gaan echter niet vanzelf weg. In dit stadium worden de cellen beschouwd als 'pre-kankercellen'. Met andere woorden: als ze niet worden opgespoord en behandeld kunnen ze zich ontwikkelen tot baarmoederhalskanker.

Afhankelijk van de mate van abnormale cellen die aanwezig zijn wordt dysplasie door professionals in de zorg ingedeeld als:

  • Milde of lichte dysplasie, of 'CIN 1'. CIN staat voor cervicale intra-epitheliale neoplasie. Als de dysplasie 'niveau 1' is, betekent dit dat ongeveer een derde van de cellen in de baarmoederhals abnormaal is. Daarnaast zien de cellen er niet zo duidelijk abnormaal uit als bij gematigde of ernstige dysplasie. Naar schatting ontwikkelt een op zes vrouwen CIN 1, hetgeen meestal vanzelf weggaat zonder dat er een behandeling nodig is. CIN 1 wordt ook LSIL genoemd (lage graad squameuze intra-epitheliale laesie).
  • Matige dysplasie, of 'CIN 2'. Ongeveer twee derde van de cellen in de baarmoederhals zijn abnormaal. Een andere term voor CIN 2 (en CIN 3) is 'HSIL' (hoge graad squameuze intra-epitheliale laesies).
  • Ernstige dysplasie, of 'CIN 3'. Bijna alle cellen in de baarmoederhals zijn abnormaal, of pre-kankercellen. Deze cellen zien er ook het meest duidelijk abnormaal uit, vergeleken met CIN 1 of CIN 2. Naar schatting ontwikkelt ongeveer 1 op 25 vrouwen CIN 2 of 3.


V

Wie loopt het meeste risico op dysplasie?

A

Aangezien 'hoog risico' HPV typen de primaire oorzaak van dysplasie zijn, loopt iedereen die ooit intiem huid-op-huid (genitaal) contact met een partner heeft gehad, risico op het ontstaan van dysplasie.

Andere factoren kunnen echter de kans vergroten dat een HPV-infectie zich ontwikkelt tot pre-kankercellen (en later tot baarmoederhalskanker):

  • Blootstelling in de baarmoeder aan een medicijn genaamd diethylstilbestrol (DES), dat aan veel vrouwen werd voorgeschreven tegen miskraam tussen 1938 en 1971.
  • Infectie met het chlamydia- of herpes simplex type 2-virus (dit zijn verschillende soorten seksueel overdraagbare aandoeningen).
  • Een familielid in de eerste graad (moeder of zus) met een voorgeschiedenis van baarmoederhalskanker. Volgens het International Journal of Cancer verdrievoudigt dit het persoonlijk risico.
  • Een gezondheidstoestand die het immuunsysteem van het lichaam verzwakt, zoals HIV/AIDS.
  • Roken, waardoor het lichaam minder goed in staat is om infecties te overwinnen. Naar schatting verdubbelt roken het risico dat abnormale cellen zich ontwikkelen tot CIN 3.
  • Een laag niveau van foliumzuur (een type vitamine B).



V

Wat zijn de symptomen van dysplasie?

A

Dysplasie heeft geen waarschuwingssymptomen. Als er symptomen optreden zoals vaginale bloeding of lage rugpijn, kan de toestand al zijn verergerd tot baarmoederhalskanker. Daarom is het zo belangrijk om vanaf je 30e jaar eens in de 5 jaar gescreend te worden met een uitstrijkje tijdens het BVO-baarmoederhalskanker en de HPV-test aan te vragen. (Deze symptomen kunnen ook andere oorzaken hebben. Het betekent niet noodzakelijkerwijs dat u baarmoederhalskanker hebt. Trek dus niet te snel conclusies! Raadpleeg uw arts. Uiteindelijk zal niet meer dan 5% van de CIN-laesies zonder interventie leiden tot een cervixcarcinoom.)



V

Hoe wordt de diagnose gesteld?

A

Dysplasie heeft meestal geen symptomen. Daarom is het belangrijk dat diagnose plaatsvindt op basis van periodieke screening (5 jaarlijks vanaf 30 jaar) op baarmoederhalskanker met een uitstrijkje, en het aanvragen van de HPV-test. Als uw uitstrijkje duidelijk abnormaal is, of als de test uitwijst dat u een voortdurende HPV-infectie heeft (dit wordt bepaald door de HPV-test een jaar later te herhalen), moet uw arts een onderzoek uitvoeren genaamd colposcopie om de baarmoederhals beter te bekijken. Tijdens de colposcopie wordt vaak een biopsie gedaan, daarbij wordt een weefselmonster van de baarmoederhals verwijderd voor analyse. Dit helpt bij het vaststellen of het gaat om dysplasie en of behandeling nodig is.

Colposcopie is echter geen waterdichte methode. Dus als de baarmoederhals er bij de colposcopie normaal uitziet, wordt aanbevolen om na 12 maanden opnieuw te testen met een HPV-test (of met een uitstrijkje na zes en 12 maanden). Als HPV nog steeds aanwezig is of als het uitstrijkje abnormaal blijft, is een nieuwe colposcopie een goed idee.



V

Hoe wordt dysplasie behandeld?

A

De behandeling van dysplasie is afhankelijk van de aanwezige hoeveelheid abnormale cellen. Als de abnormaliteiten mild en gering in aantal zijn, gaan ze meestal zonder behandeling weg. Het is gebruikelijk om uw toestand in de gaten te houden via screening – bij Pap2/3a1 wordt het uitstrijkje na zes maanden herhaald, en wordt een HPV test geadviseerd (richtlijn Nederlandse Vereniging voor Pathologie, zie www.pathology.nl, afhankelijk van de uitslag dit na 12 maanden herhalen.)

Sommige gevallen van matige dysplasie, en de meeste gevallen van ernstige dysplasie gaan echter niet vanzelf weg. Uw arts kan verschillende methoden gebruiken om de abnormale cellen in de baarmoederhals te verwijderen. Deze behandelingen vallen in de twee volgende algemene categorieën: 'ablatie' (waarbij de abnormale cellen worden verdampt of op een andere manier vernietigd, in het lichaam) en 'excisie' (waarbij de cellen met een scalpel of laser worden weggesneden). Bij excisie kan een deel van het weefsel naar het laboratorium worden gestuurd voor verdere analyse (ook wel biopsie genoemd).

Ablatieve behandelingen zijn onder andere:

  • Laserbehandeling:
    Een zeer dunne lichtstraal van hoge intensiteit wordt gebruikt om abnormale cellen te verwijderen. De plaats en diepte van de ingreep kan zeer nauwkeurig worden bepaald.

  • Cryotherapie:
    Er wordt een katheter tegen de baarmoederhals geplaatst, waarmee wordt gekoeld tot temperaturen onder nul en abnormale cellen door bevriezing worden beschadigd. De beschadigde cellen worden verwijderd in de maand daarna in een waterige afscheiding. Opmerking: de effectiviteit van cryotherapie wordt beperkt door het bereik van de katheter waarmee de abnormale cellen worden bevroren. Daarnaast levert het – zoals verschillende andere dysplasiebehandelingen – geen weefselmonster op dat door analyse de aanwezigheid van baarmoederhalskanker kan uitsluiten. Zodoende zijn andere behandelingen dan cryotherapie meer geschikt voor grotere stukken weefsel die zijn geïdentificeerd als CIN 3, aangezien deze de meeste kans hebben om invasieve kankercellen te bevatten.

Excisiebehandelingen zijn onder andere:

  • Lisexcisie (diathermische-lusexcisie):
    Deze behandeling is waarschijnlijk de meest gebruikte voor dysplasie. Een lus van dun draad, waardoor een elektrische stroom gaat, wordt gebruikt om abnormaal weefsel te verwijderen. Dit kan poliklinisch met lokale verdoving worden gedaan.

  • Conisatie met scalpel of laser:
    Er wordt een kegelvormig stukje van de baarmoederhals verwijderd met een laser of een scalpel. Een behandeling met een scalpel wordt vaak uitgevoerd als er een groter stuk weefsel moet worden verwijderd. Deze behandelingen hebben een hoger percentage complicaties dan met een laser.



V

Heeft de behandeling altijd effect? Kan de aandoening terugkomen?

A

Behandeling van dysplasie is effectief voor de meeste vrouwen – maar niet voor iedereen. Volgens in het American Journal of Obstetrics & Gynecology (AJOG) gepubliceerde consensusrichtlijnen is het mislukkingspercentage van dysplasiebehandelingen in het algemeen 5-15 procent. Als gevolg is de incidentie van invasieve baarmoederhalskanker onder vrouwen, die eerder voor dysplasie waren behandeld, substantieel groter dan onder de vrouwelijke bevolking als geheel. Vervolgonderzoeken zijn essentieel.



V

Heeft dysplasie effect op de mogelijkheid om kinderen te krijgen?

A

Dysplasie en de behandeling ervan hebben geen invloed op uw mogelijkheid om zwanger te worden. Echter, excisiebehandelingen zoals lisexcisie of conisatie met scalpel verhogen het risico op voortijdige weeën, waardoor een keizersnee nodig is en het kind een laag geboortegewicht heeft. (Tot op heden blijkt uit de meeste onderzoeken niet dat ablatieve behandelingen hiermee in verband staan. Een definitieve conclusie kan echter nog niet worden getrokken.) Als u kinderen wilt in de toekomst, bespreek dan deze potentiële complicaties met uw arts.